Beleidsplan voor juli 2018 tot en met december 2022


Bewaren is één – Beschrijven is twee – Laten ervaren is drie

1. Inleiding


De Stichting Nationaal Blindenmuseum heeft na een lange periode van een nogal teruggetrokken bestaan het stadium bereikt waarin zij naar buiten kan treden. De afgelopen drie jaar is hard gewerkt om een groot deel van de collectie te beschrijven en om een toegankelijke en goed gevulde website te realiseren, een website waarop een representatieve indruk is te krijgen van de collectie van onze stichting. De op de website beschreven voorwerpen zelf zijn op twee locaties opgeslagen. De in verhuisdozen opgeslagen lectuur is per categorie en op doosniveau geregistreerd .
Een ordelijke opslag is belangrijk; de voorwerpen kunnen dan immers tevoorschijn gehaald worden om aan belangstellenden te kunnen worden getoond. Daarmee kun je de collectie echter nog niet goed toegankelijk noemen. Om dit wél te bereiken is het nodig dat een relevant gedeelte van de collectie ten toon gesteld wordt op een plaats die voor publiek bereikbaar en toegankelijk is. Door de proeftentoonstelling die we in november 2017 hebben kunnen organiseren, hebben we dermate positieve ervaringen opgedaan, dat we zeer gemotiveerd zijn om naar een locatie te zoeken waar we voor langere duur een tentoonstelling kunnen inrichten. We zouden de gelegenheid willen hebben om met het tentoonstellen ervaring op te doen, niet alleen om te kunnen vaststellen hoe de belangstelling voor de collectie zich ontwikkelt, maar ook om te kunnen nagaan welke vorm van presentatie de verschillende categorieën bezoekers het meest aanspreekt. We denken hiervoor een periode van drie jaar nodig te hebben.

Naast het verzamelen en bewaren van voorwerpen om ten toon te stellen houdt onze stichting zich ook bezig met het verzamelen en publiceren van informatie, onder meer over de geschiedenis van de belangenbehartiging en die van de voorzieningen en over de ervaringen van betrokkenen daarmee. Eén van de gehanteerde middelen is het afnemen van interviews. Ook hiermee willen we doorgaan.

In dit beleidsplan gaan we op één en ander in, nadat we even hebben stilgestaan bij onze doelstelling (eind 1983 in de statuten vastgelegd) en hebben aangestipt wat de afgelopen 35 jaar binnen onze stichting heeft plaatsgevonden.

2. Doel en middelen


Artikel 3 bepaalt omtrent het doel (letterlijk citaat):
1. De stichting stelt zich ten doel het bijeenbrengen vanbestaande kennis en het bevorderen van meer kennis omtrent:
a. de gevolgen, uitgezonderd die van medische aard, welke voortvloeien uit de funktiestoornis van het gezichtsvermogen;
b. methoden, vaardigheden, hulp- en leermiddelen enzovoort, welke dienen om de onder a. genoemde gevolgen geheel of ten dele op te heffen;
c. het werk, dat door instanties, instellingen of organisaties ten behoeve van blinden en slechtzienden wordt verricht;
d. personen, wier aktiviteiten voor blinden en slechtzienden van wezenlijk belang zijn;
e. alle overige zaken, die betrekking hebben op blinden en slechtzienden en hun funktiestoornis.

Artikel 4 gaat over de middelen, als volgt (letterlijk geciteerd):
1. De stichting tracht haar doelstelling te verwezenlijken door:
a. het opzetten, in stand houden en beheren van een museum in een of meer daartoe ingerichte gebouwen;
b. het opsporen, in eigendom of bruikleen verkrijgen, herstellen, conserveren en archiveren van goederen en documenten;
c. het houden van tentoonstellingen;
d. het ondersteunen van wetenschappelijk onderzoek op het gebied van blinden en slechtzienden;
e. het verzorgen van publikaties, die bevorderlijk zijn aan het doel van de stichting;
f. alle andere aktiviteiten, die het doel van de stichting kunnen bevorderen.

Indachtig de statuten leggen wij ons erop toe met onze collectie - inclusief documentatiemateriaal - voor zowel visueel gehandicapte als ziende mensen te laten zien welke ontwikkelingen zich sinds circa 1850 hebben voorgedaan in de sfeer van participatie van blinden en slechtzienden in de samenleving en wat aan die ontwikkelingen heeft bijgedragen. Anders gezegd: de verworvenheden van het heden willen we in historisch perspectief plaatsen.

3. Geschiedenis in het kort


Aanvankelijk heeft het bestuur van onze stichting naar mogelijkheden gezocht een blindenmuseum als zelfstandige instelling van de grond te krijgen. Toen dit niet haalbaar bleek, is het bestuur in overleg getreden met bestaande musea. Doel was te verkennen of de collectie van de stichting aan de collectie van het bestaande museum kon worden toegevoegd of dat de collectie van onze stichting als afzonderlijke verzameling onderdak kon worden verleend. Dit vond ongelukkigerwijs plaats in een periode waarin alle musea te kampen hadden met een krimpend subsidiebeleid van de overheid. Omdat resultaat uitbleef, heeft het bestuur na enige jaren deze verkenningen als structurele activiteit gestaakt. De nadien incidenteel ondernomen initiatieven op dit vlak hebben voorshands evenmin succes gehad.
We hebben als de gelegenheid zich voordeed contact gelegd met organisaties en personen die zich evenals wij het lot van het uit historisch oogpunt belangrijk geacht materiaal aantrokken en/of aantrekken. Tot een gezamenlijk project heeft dit echter nog niet geleid.

De ten tijde van de oprichting van onze stichting bijeengebrachte collectie is in de loop der tijd geleidelijk uitgebreid, ondanks het feit dat we geen actief verwervingsbeleid voerden. Dit laatste had alles te maken met het feit dat we voor de opslag van de collectie niet over een ruimte beschikten die goed toegankelijk en bereikbaar was voor beheeractiviteiten. De tweede verblijfplaats was dit als uitzondering wel, maar daar bestond grote onzekerheid over de duur van de beschikbaarheid. In 2000 is de collectie naar de derde locatie verhuisd en wel naar het gebouw van Sensis in Grave. Tezamen met Sensis en de Stichting Kubes wierven we subsidie voor de start van een museum met belevingsruimte, te vestigen in Grave. Toen we het benodigde geld voor de helft aan toezeggingen bij elkaar hadden, bereikte ons het bericht dat de Le Sage ten Broekbibliotheek in Nijmegen een soortgelijk project ging opzetten en wel met geldmiddelen van het Ministerie van OCW ter dekking van de kosten van gedwongen afvloeiing van personeel in verband met de herstructurering van het blindenbibliotheekwerk. Onze poging om tot samenwerking te komen, werd afgewezen. Voor het Graafse project zat er niets anders op dan van de plannen af te zien.
In 2006 is de collectie naar de vierde locatie verhuisd en wel op het terrein van Koninklijke Visio in Huizen. Ook daar was de duur van de beschikbaarheid van de ruimte onzeker. Bovendien was de locatie voor de betrokken vrijwilligers slecht met het openbaar vervoer bereikbaar en lieten de bouwkundige staat en de inrichting veel te wensen over. Dit gebouw moesten we halverwege 2014 verlaten om de sloop ervan mogelijk te maken. Koninklijke Visio heeft de verhuizing naar onze nieuwe locatie, in Ermelo, financieel gefaciliteerd door de verhuiskosten te vergoeden en door gedurende enige jaren de huurkosten te compenseren.

Ondanks de problemen met opslag en beheer van de collectie hebben we af en toe een tentoonstelling ingericht als onderdeel van een groter evenement. De belangstelling die de bezoekers voor de gepresenteerde objecten toonden, dikwijls mede veroorzaakt door de herinneringen die werden opgeroepen, sterkte ons keer op keer in de opvatting dat het waardevol is de collectie te behouden en zo mogelijk uit te breiden. Het bestuurlijk en uitvoerend werk hebben we vanaf het begin kunnen financieren met behulp van de Vereniging het Nederlands Blindenwezen, later Oogfonds Nederland.

4. Stand van zaken


Een flink deel van de collectie is beschreven. De informatie is op de website geplaatst. Hierdoor kan men in ieder geval via de website een indruk krijgen van de collectie. Dit stadium wilden we bereikt hebben voordat we aan promotie en exposeren zouden gaan werken.

We beschikken over opslag- en beheerruimten in Den Haag (gratis, tijdelijk, bij de Vereniging Onbeperkt Lezen) en Ermelo (huur voor onbepaalde tijd, bij de Christelijke Bibliotheek voor Blinden en Slechtzienden, CBB). De ruimte in Ermelo is ons reguliere werkterrein. Hier is helaas geen gelegenheid om er voorwerpen uit te stallen, laat staan dat er sprake kan zijn van tentoonstellingsbezoek (35m²).

In november jongstleden hebben we van de CBB evenwel tijdelijk de beschikking gekregen over een vrijwel naastgelegen zaal om daar een proeftentoonstelling in te richten (50m²). De circa 35 uitgenodigde bezoekers (ziend, slechtziend of blind) hebben er blijk van gegeven dat ze de tentoonstelling interessant vonden. Dit heeft ons een extra impuls gegeven om met het aangevangen werk door te gaan en prioriteit te geven aan het zoeken naar tentoonstellingsmogelijkheden. Een deel van onze collectie heeft relatie met het internaatsleven tussen, globaal, 1930 en 1960. De mensen die aan die periode herinneringen hebben, zouden we graag als eerste bezoekers verwelkomen.

5. Tentoonstellingsbeleid


Gelet op de doelstellingen van onze stichting, willen we zowel visueel gehandicapte als ziende bezoekers ontvangen. We willen niet voor beide groepen een geheel verschillende opstelling aanbieden. We zijn er ons wel van bewust dat het nodig is de te verstrekken informatie op de verschillende groepen af te stemmen. Bepaalde onderdelen van de collectie zijn immers voor de ene groep interessanter dan voor de andere. We verwachten dat blinden en slechtzienden meer geïnteresseerd zullen zijn in de voorwerpen zelf en dat zienden vooral belang zullen stellen in de functie die het voorwerp vervulde of vervult. Voorbeeld: Blinden en slechtzienden laat je precies de chronologische ontwikkeling van het gesproken boek zien, van bandrecorder naar computer/Daisyspeler, bij voorkeur in verschillende uitvoeringen; zienden vertel je aan de hand van de leeshulpmiddelen over de noodzaak van zo’n hulpmiddel om zelfstandig te kunnen lezen en wat een leeshandicap door de jaren heen in de praktijk (onderwijs, werk, thuissituatie) betekende.

We kiezen er op basis van de ervaringen met de proeftentoonstelling in eerste instantie voor bezoekers aan te bieden dat ze worden rondgeleid. Er zal per voorwerp of categorie voorwerpen zeker enige tekstuele informatie aanwezig moeten zijn, maar de verhalen die eromheen te vertellen zijn, achten wij onmisbaar en willen we ook graag zelf vertellen.

Het verdient volgens ons de voorkeur dat rondleidingen door een blinde of slechtziende plaatsvinden. Vaker dan zienden zullen zij op grond van eigen ervaringen of op grond van ervaringen uit hun omgeving over het belang van bepaalde voorwerpen of voorzieningen kunnen vertellen. Bovendien biedt een rondleiding door een blinde of slechtziende aan de ziende bezoeker die geen blinden of slechtzienden in zijn omgeving heeft, de gelegenheid enige ervaring daarmee op te doen.

In tweede instantie willen we ons voorbereiden op presentaties voor groepen. Te midden van de ter illustratie aanwezige voorwerpen willen we voor hen een verhaal houden over de geschiedenis van de belangenbehartiging, de dienstverlening en de ontwikkelingen in de sfeer van hulpmiddelen, waarbij we willen aangeven welk effect één en ander heeft gehad op de integratie van blinden en slechtzienden in de samenleving. We streven naar een zodanige presentatie, dat er wisselwerking ontstaat tussen presentator en publiek.
Gegeven onze keuze dat er blinde en slechtziende rondleiders zijn en gelet op het feit dat onze vrijwilligers in meerderheid blind of slechtziend zijn, vinden we een vaste ruimte voor tentoonstelling van (een deel van) onze collectie noodzakelijk. Een reizende tentoonstelling – een tentoonstelling die bijvoorbeeld drie maanden in de ene regio te bezoeken is en vervolgens drie maanden in een andere - zou naar onze overtuiging te veel organisatorische problemen geven en zou voor de vaste vrijwilligers een te grote belasting betekenen op het gebied van mobiliteit en tijdsbeslag.

Onze vaste medewerkers wonen in Nijkerk resp. Zwolle. In verband hiermee zoeken wij tentoonstellingsruimte nabij de spoorlijn van Amersfoort-Zwolle. Helaas hebben we al gemerkt dat het moeilijk is om bruikbare, bereikbare ruimte te vinden als je je niet als commerciele partij kunt opstellen.

We gaan ervan uit dat we bezoekers kunnen aantrekken die enige affiniteit met blinden of slechtzienden hebben. Of we ook mensen zonder een dergelijke betrokkenheid naar onze tentoonstelling zullen kunnen lokken, zullen we slechts proefondervindelijk kunnen vaststellen.

Onze keuze voor een plaatsgebonden tentoonstelling behoeft er overigens niet aan in de weg te staan dat we gelegenheden willen benutten om kortdurende, kleine presentaties te verzorgen. Deze zullen naar ons idee vooral promotionele waarde hebben.

6. Beheerwerkzaamheden


Zoals gezegd is een groot deel van de collectie beschreven. De beschrijving zal moeten worden afgemaakt en aangevuld naarmate er sprake is van aanwas. Daarnaast liggen de volgende taken te wachten:

  1. het (laten) herstellen van gebreken aan voorwerpen waarvoor we geen alternatieven hebben;
  2. het werkend (laten) maken van elektronische apparaten zodat het gebruik ervan kan worden gedemonstreerd;
  3. het verzamelen van nadere informatie om onze collectie beter te documenteren;
  4. het samenstellen van bondige informatie over de ten toon te stellen voorwerpen en deze in verschillende leesvormen beschikbaar maken;
  5. het verzamelen van informatie voor het verhaal over het integratieproces;
  6. het nader ordenen en verzorgen van onze collectie;
  7. het opsporen van overtollige onderdelen in onze collectie en deze zo mogelijk een goede andere bestemming geven;
  8. het zoeken naar mogelijkheden om ongewenste leemtes in de collectie op te vullen.


7. Andere activiteiten


We willen doorgaan met het digitaliseren van interessante teksten die zich in braille in onze collectie bevinden. Tot nog toe zijn het vooral verslagen waardoor men een indruk kan krijgen van de onderwerpen waarmee men zich binnen belangenorganisaties van blinden en slechtzienden bezig hield. Het oudste dat we tot nog toe hebben gepubliceerd is het jaarverslag van de afdeling Groningen van de Nederlandsche Blindenbond over 1937. Door dergelijke teksten op onze website te publiceren kan er een groter publiek kennis van nemen.
Ook de serie interviews willen we voortzetten. Het merendeel gaat tot nu toe over het volgen van onderwijs met een visuele handicap. Met de ervaringsverhalen willen we inzicht geven in de mogelijkheden die individuele blinde en slechtziende mensen hebben gekregen of bevochten om een positie in de samenleving te verwerven en over de belemmeringen die ze hebben overwonnen of voor hen zijn blijven bestaan. Prioriteit zullen we echter geven aan het verwezenlijken van onze ambitie om een vaste tentoonstelling in te richten.

Op publicitair gebied hebben we ons altijd erg rustig gehouden. Dit had alles te maken met de omstandigheid dat we voor derden niet inzichtelijk konden maken wat onze collectie behelsde. Nu we deze fase voorbij zijn en we ook aan tentoonstellen toe zijn, zullen we hierin verandering brengen. We zullen aan de weg moeten timmeren om steun bij het zoeken naar en het financieren van tentoonstellingsruimte te verkrijgen en, wanneer we daarin zijn geslaagd, om bezoekers van de tentoonstelling te werven. Onder die bezoekers hopen we ook potentiële vrijwilligers en donateurs te vinden. Hiervoor zullen we echter ook andere middelen inzetten.

8. Samenwerking


Wij hebben steeds naar mogelijkheden van samenwerking met andere organisaties gezocht, waar dit het bundelen van kennis over de geschiedenis van de integratie van blinden en slechtzienden in de samenleving en het bij elkaar brengen van collecties over en weer ten goede kon komen.

Wij hebben goede contacten met het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht. De directeur van genoemd museum schat dat het museum zo’n 125 voorwerpen in bezit heeft die relatie hebben met blinden en slechtzienden. Hij heeft deze in de tachtigerjaren van de vorige eeuw ten behoeve van een tentoonstelling van het museum verworven. Ze zijn hoofdzakelijk afkomstig uit de sector van het blinden- en slechtziendenonderwijs in Grave en Nijmegen. Met onze hulp zal die collectie door het Nationaal Onderwijsmuseum worden geïnventariseerd en geregistreerd. Daarna wil genoemd museum met ons afspraken maken over het gebruik door ons van die collectie met als intentie dat de bestaande collecties met een relatie tot blindheid en slechtziendheid zoveel mogelijk worden geconcentreerd.

Een andere dergelijke collectie is in beheer bij het MuZIEum in Nijmegen. Het MuZIEum heeft niet de ambitie deze collectie zelf ten toon te stellen. Met de directeur van het MuZIEum en het bestuur van de Stichting Le Sage ten Broek (de eigenares van die collectie) is de afspraak gemaakt dat we met elkaar in overleg zullen treden om te bekijken of wij, wanneer wijzelf over tentoonstellingsruimte beschikken, onderdelen van die collectie aan het publiek kunnen tonen.

Een derde collectie waarvan wij het bestaan kennen berust bij het Graafs Museum. De daar aanwezige collectie is grotendeels niet ontsloten. Vermoedelijk is Koninklijke Visio de eigenaar ervan. We willen graag onderzoeken waar die collectie uit bestaat en of er mogelijkheden zijn om onderdelen van die collectie bij ons ten toon te stellen.

Komen we andere collecties op het spoor, dan zullen we dezelfde gedragslijn volgen. Het is ons voornemen op dit punt actiever te worden.

Uiteraard zijn de contacten in de sfeer van het ontsluiten van collecties alleen opportuun indien er bij één der partijen goede tentoonstellingsmogelijkheden zijn.

Door de jaren heen hebben we geregeld museale voorwerpen aangeboden gekregen, dikwijls door particulieren. Zelf reageren we af en toe op een particuliere aanbieding in een digitaal forum. De tijd is aangebroken dat we gerichter gaan werven.

Sinds we op onze website teksten en foto’s hebben staan over onze collectie, is enkele malen door derden onze medewerking aan een project gevraagd. In bedoelde gevallen hebben we positief gereageerd. Dit zullen we blijven doen.

Sedert 2016 zijn wij betrokken bij het Netwerk Bronnen van Inclusief Burgerschap. Het doel van dit netwerk is het ontsluiten van de geschiedenis van mensen met een beperking in Nederland. Het netwerk wordt gevormd door professioneel deskundigen en ervaringsdeskundigen die zich toeleggen op het verzamelen van verhalen, foto’s, films en (gebruiks)voorwerpen met betrekking tot de geschiedenis van ‘functionele diversiteit’: de wijze waarop niet-gemiddelde mensen in de samenleving participeren en de wijze waarop zij door die samenleving bejegend zijn. We hebben vastgesteld dat onze activiteiten daar goed bij aansluiten.

9. Tot slot


Realisering van onze plannen is slechts mogelijk als we voldoende financiële middelen kunnen verwerven om een goed bruikbare tentoonstellingsruimte te bemachtigen en als we voldoende mensen bereid kunnen vinden het uitvoerende werk op zich te nemen. Wij hebben er vertrouwen in dat dit vroeg of laat lukt.
Waar het gaat om het aantrekken van bezoekers voor een tentoonstelling zoals wij die in gedachte hebben, beschikken we niet over ervaringscijfers waarmee we onszelf een min of meer realistisch perspectief kunnen voorhouden. Wat dit betreft zullen wij en de andere bij een tentoonstellingsruimte betrokken partijen met grote onzekerheid te maken hebben. Toch zou dit óns niet afschrikken. De reden hiervoor is dat we ervan overtuigd zijn dat we een collectie hebben die vanuit verschillend oogpunt interesse kan verwachten.
Onder de groep van blinden en slechtzienden zullen zich mensen bevinden die voorwerpen willen terugzien die zij in hun jeugd als gewoon hulpmiddel hebben ervaren, maar die ondertussen achterhaald zijn. Voor andere blinden en slechtzienden kunnen dezelfde voorwerpen onbekende voorlopers zijn van wat zij als gewoon beschouwen of hebben beschouwd. Ziende bezoekers zullen met behulp van onze collectie kennis kunnen maken met de wijze waarop blinden en slechtzienden heel gewone dingen op een andere wijze moeten doen dan zijzelf. Hebben zij historische belangstelling, dan kunnen ze zien welke hulpmiddelen in de loop der jaren aan de huidige zijn voorafgegaan. Voor blinden en slechtzienden zal de plaatsing van de verworvenheden van vandaag de dag aan het (kortstondige) eindpunt van een reeks ontwikkelingen tot reflectie op hun eigen situatie kunnen leiden. Ziende bezoekers zullen dat evenzeer kunnen ervaren, maar dat zal gepaard gaan met een vergelijking van hun eigen mogelijkheden en beperkingen met die van blinden en slechtzienden. Het is onze ambitie de bezoekers van onze tentoonstelling deze of dergelijke ervaringen te laten opdoen. Momenten van reflectie en relativering kunnen hun ogen openen voor wat voor hen nog verborgen was.

We zullen jaarlijks de uitvoering van dit beleidsplan evalueren. Zo nodig stellen wij het plan bij. In onze jaarverslagen zullen de ontwikkelingen kunnen worden gevolgd.

April 2018



terug naar het overzicht van de jaarstukken
terug naar de beginpagina van de website